De Zuidas als nieuw centrum van Amsterdam;

Editie: 22.2 - De Zuidas

Gepubliceerd op: 07 oktober 2015


hoe met placemaking als instrument een volwaardig nieuw stadscentrum is te ontwikkelen

De Zuidas in Amsterdam is een uniek stuk stad in wording. Uniek in zowel verschijningsvorm als totstandkoming. Bij de ontwikkeling van de Zuidas heeft ontwerpend en ontwikkelend Nederland zich opnieuw moeten uitvinden. Wat is er gedaan om de Zuidas tot aantrekkelijk stedelijk gebied te ontwikkelen en wat is daarvan te leren? En welke rol heeft het begrip ‘placemaking’ daarin?

Terug in de geschiedenis
Wie vandaag de dag terugkijkt ziet dat de ontwikkelgeschiedenis van de Zuidas gekenmerkt wordt door een aantal bijzondere keuzes op het ontwerp-en ontwikkelvlak die daarmee het huidige (en toekomstige) beeld van de Zuidas bepalen. Om dit beeld scherp te krijgen en de keuzes te begrijpen is een kort overzicht van de ontwikkeling van de Zuidas essentieel. Aanvankelijk was de Zuidas ‘slechts’ een van de vele kantoorlocaties van de gemeente Amsterdam die werden ontwikkeld, naast bijvoorbeeld Sloterdijk en Amstel III, een locatie waarvan de unieke positie van de plek nauwelijks was ontdekt. Bij de oplevering van het World Trade Center Amsterdam in 1985 wordt die positie en potentie langzamerhand zichtbaar. Al in 1979 was de Amsterdamse Rechtbank naar de Parnassusweg, die de Zuidas kruist, verhuisd. Beide gebouwen hebben een groot volume, dat binnen de bestaande stedelijke structuur van Amsterdam met haar smalle kavels moeilijk een plek kon vinden. In 1981 is het zuidelijke stuk Ringweg A10 geopend, waarmee per dag duizenden automobilisten over de Zuidas reden. Daarmee werd de potentie van de plek duidelijk: goed bereikbaar, zichtbaar vanaf de autosnelweg en met nog genoeg ruimte om verder te ontwikkelen.

Boomtown Amsterdam als vonk
De manifestatie Boomtown Amsterdam, in 1988 georganiseerd door het lokale architectuurcentrum ArcAm wekte als vonk voor het aanstichten van een frisse blik van stadontwikkelaars op de Zuidas als locatie voor nieuwe stadsontwikkeling. De manifestatie was een vervolg op het boek Boomtown Amsterdam waarin een overzicht werd gegeven van nieuwe bouwprojecten aan de (toenmalige) randen van de stad, zoals de IJ-oever en de Ringweg (Stichting ARCAM, 1988). Dit boek liet zien dat de strategische ligging ten opzichte van de luchthaven aan de ene kant en het oude stadscentrum aan de andere kant volop ontwikkelingskansen bood. Opvallende afwezige in de plannen in Boomtown Amsterdam was het wonen aan de Zuidas; het werd vooral als kantorenlocatie voor het hogere segment gezien.

Dit imago van kantorenlocatie werd versterkt toen midden jaren negentig de discussie losbarstte over de herontwikkeling van de IJ-oevers in Amsterdam. De gemeente zag graag grote (financiële) instellingen als de ABN-AMRO-bank van de binnenstad verhuizen naar de IJ-oevers, met als doel het verlies van dergelijke grote instellingen voor de verdere ontwikkeling van de binnenstad te beperken. De bank koos echter anders, namelijk voor de Zuidas. De verhuizing naar het nieuwe hoofdkantoor dat in 1999 gereed kwam wordt als belangrijke mijlpaal in de verdere ontwikkeling van de Zuidas gezien. Tot dan toe zag de gemeente weinig potentie in de Zuidas; zij richtte haar energie op het ontwikkelen van (woon-)gebieden langs de IJ-oevers, het Oostelijke Havengebied en IJburg.

De gebruikelijke manier van stadsontwikkelen waarbij polders werden opgespoten om daarna een op papier bedachte structuur uit te kunnen rollen, zoals Amsterdam dat gewend was te doen in de Westelijke Tuinsteden, Buitenveldert, Amsterdam-Zuidoost en later IJburg, was op de Zuidas niet mogelijk. Hoewel het leek alsof er genoeg ruimte was, had de stad toch te maken met bestaande structuren en eigenaren. Bij de ontwikkeling van de Zuidas komt de functie wonen relatief laat aan de orde.

Kompier 1

Afbeelding 1 Zuidplein
Bron: Gemeente Amsterdam, Zuidas
Foto: Eric Dix

Pas eind jaren negentig, op het moment dat de keuze wordt gemaakt om een nieuw stadscentrum te ontwikkelen in plaats van een louter kantorenlocatie, komt deze functie in beeld. Want wonen wordt als functie voor een gemengd stadscentrum onontbeerlijk geacht. Met de oplevering van de New Amsterdam woontoren in deelgebied Mahler in 2009 is wonen op de Zuidas een feit. Is daarmee de garantie geleverd dat de Zuidas een gemengd stedelijk gebied wordt? Een ‘uitdagende, sociale, aantrekkelijke, gezonde, duurzame en vitale leefomgeving?’ zoals de gemeente ambitieus voorstaat? Dat is de vraag.

Wonen als minst stedelijke functie
Om die uitdagende leefomgeving te krijgen is de woonfunctie sec niet van belang. Sterker: de woonfunctie en andere (stedelijke) functies kunnen elkaar danig in de weg zitten. Momenteel woedt er in Amsterdam een discussie over de toegenomen drukte in het centrum, waarbij vooral de woon-en de toeristische functies elkaar flink in de weg zitten. Een kenmerk dat voor meer grote Europese steden geldt, waar de aantrekkingskracht op een groot publiek langzamerhand zelf een probleem is geworden (Hajer & Reijdnorp, 2001).

Daarnaast is wonen in feite de minst stedelijke functie die er is. In woongebieden zonder andere functies beperkt zich de levendigheid tot het auto wassen op zaterdag. Wonen is als functie ingewikkeld; voor stadsontwikkelaars zowel zegen (draagvlak, meer inwoners, meer belasting voor de stad) als vloek (weinig tot geen functiemenging, verbuitenwijkisering van binnenstadsgebieden). En ook vanuit de kantoorfunctie bekeken is de woonfunctie niet noodzakelijk.

Er is weinig toegevoegde waarde. Weliswaar bijten kantoorgebruikers en bewoners elkaar niet, maar van wederzijdse synergie is weinig sprake. Waar de kantoor-en woonfunctie elkaar ontmoeten is bij de voorzieningen. Dan is er wel degelijk een overlap in belangen; zowel de kantoorklerk als de bewoner heeft baat bij voorzieningen als een bakker, stomerij, krantenkiosk en warenhuis. Maar waar op papier gouden bergen worden beloofd aan het voorzieningenprogramma (klaar in 2040) hebben huidige gebruikers het te doen met een aanbod dat op een relatief laag aantal gebruikers is afgestemd. Dat is een dilemma. En daarmee komt de crux van de centrumontwikkeling die de gemeente op deze plek voorstaat naar voren. Want hoe voorzieningen te ontwikkelen waar (nog) niet genoeg draagvlak aan bewoners voor is? Door middel van nieuwe ontwerp-en ontwikkeltechnieken kan ervoor gezorgd worden dat de openbare ruimte dermate aantrekkelijk is zodat nieuwe voorzieningen zich kunnen gaan vestigen.

Placemaking als nieuwe strategie
Dat die manier van planning in Amsterdam wordt toegepast blijkt uit de Zuidas Integrated Placemaking Strategie (ZIPS) uit 2011 (Gemeente Amsterdam & ARUP, 2011). Dit is een vervolg op de Visie Zuidas uit 2009, waarin een belangrijk moment in de ontwikkeling van de Zuidas wordt gemarkeerd.

In de Visie Zuidas wordt onderkend dat de Zuidas zich dient te ontwikkelen van zakencentrum tot stedelijk centrum “met een gemengd milieu”. De ZIPS versterkt deze visie en tracht de visie in heldere lijnen uiteen te zetten. De ingewikkeldheid van het ontwikkelen van een plek waar aan de ene kant al mensen werken en wonen en aan de andere kant nog volop wordt gebouwd wordt onderkend: “Om de Zuidas te ontwikkelen tot een rijke, authentieke en betekenisvolle plek, is het nodig complexe en soms zelfs tegenstrijdige componenten met elkaar te verenigen” (Gemeente Amsterdam & ARUP, 2011). De ZIPS heeft als strategische focus eerder de korte termijn waarbij het begrip ‘placemaking’ wordt gelanceerd. Dat is opvallend: zonder dat de stadsontwikkelaars dit doorhebben wordt hiermee een nieuw begrip in het ontwikkelen van de stad geïntroduceerd. Placemaking komt uit de Amerikaanse en Engelse praktijk en staat voor een interactief proces met alle betrokkenen.

Bij placemaking wordt het gebruik (en niet de vormgeving) van de openbare ruimte als uitgangspunt genomen (Project for Public Spaces, 2008). Placemaking versterkt de verbinding tussen mensen en de plaatsen die ze delen.

Doel is om samen de openbare ruimte zo te ontwikkelen dat de gedeelde waarde ervan wordt gemaximaliseerd. In simpele woorden: door planning, ontwerp, beheer, programmering en gebruik integraal te bezien wordt de waarde van de openbare ruimte door iedereen onderkend. En niet alleen door stedenbouwkundigen of vastgoedontwikkelaars. Placemaking biedt technieken aan om de immateriële kwaliteiten van de openbare ruimte, die gebruikers vaak hanteren, als: ‘gezellig’, ‘veilig’, ‘mooi’ of ‘vriendelijk’ te kunnen meten en verbeteren. Het Institute for Public Spaces heeft in Amerika meer dan duizend verschillende openbare ruimtes onderzocht en komt tot de volgende vier kernvoorwaarden voor succesvolle openbare ruimtes: toegankelijkheid, activiteiten, comfort en gezelligheid (Project for Public Spaces). Ook de ZIPS spreekt over ontwerpprincipes waarmee naar de verdere ontwikkeling van de Zuidas gekeken dient te worden, zoals: “Probeer vanaf het begin een levende stad te creëren”; “Beschouw het als een deel van Amsterdam, een plek in de wereld” en: “Richt je altijd op het creëren van een gevoel van volledigheid” (Gemeente Amsterdam & ARUP, 2011). Deze principes zijn gekoppeld aan gebiedsbrede strategieën zoals: .Integratie met de stad”. Aan elke strategie is een kernvraag gekoppeld, zoals bij “Integratie met de stad” de vraag: “Is het deelgebied aangesloten op de nabijgelegen gebieden?”.

Kompier 2

Afbeelding 2 Zuidplein
Bron: Gemeente Amsterdam, Zuidas
Foto: Marc Dorleijn

De ZIPS bestaat niet uit dwingende regelgeving. Het is een instrument voor sturing van het proces voor de verdere ontwikkeling van de Zuidas dat integraal ontwerpen probeert te stimuleren.

Van een- naar meerdimensionaal gebruik
In de (vastgoed)wereld die wordt gedomineerd door cijfers en tabellen mogen de ZIPS-principes, afgeleid van Placemaking, wellicht ‘vaag’ klinken. Toch is het van belang om bij het doorontwikkelen van de Zuidas een dergelijke methode te hanteren. Want inmiddels zijn er naast kantoorgebruikers ook bewoners op de Zuidas, met eigen ideeën en belangen, en is de openbare ruimte de plek waar de belangen van alle gebruikers samenkomen. Daar dient vorm en richting aan gegeven te worden. De waarde van de openbare ruimte draait om het welbevinden van de gebruiker. En de diversiteit aan gebruikers op de Zuidas is alleen maar groter geworden. Hoewel er (te?) veel aandacht gaat naar de vormgeving van de openbare ruimte, iets waar Nederland de afgelopen twintig jaar grote sprongen heeft gemaakt, is het daadwerkelijk goed laten functioneren van de openbare ruimte vooral een organisatorische en sociale opgave. Als bij (her-)inrichting van een plein, park of straat rekening wordt gehouden met de wensen van de verschillende gebruikers is de kans op een succesvolle openbare ruimte groot. En de range aan Zuidasgebruikers is inmiddels veel groter geworden. Zo laat het onderzoek “Sport op de Zuidas, Kansen voor sport en stad” zien dat bij de ontwikkeling en bouw van het Zuidasdok mooie kansen liggen om sport en stadsontwikkeling aan elkaar te koppelen (Casas Valle & Kompier, 2013). De bouw van het dok is bij uitstek iets waar de klimsport zich – zij het tijdelijk -zou kunnen uitleven en tilt de jaarlijkse Hakken-& Pakkenrun de Zuidas uit boven het dagelijks gebruik door kantoorwerkers en bewoners.

Door het begrip placemaking te hanteren bij de verdere ontwikkeling van de Zuidas wordt de kans om zich daadwerkelijk te ontwikkelen tot uitdagende, sociale, aantrekkelijke, gezonde, duurzame en vitale leefomgeving aanmerkelijk vergroot, omdat de niet-fysieke kenmerken van de openbare ruimte in de planning, ontwerp en uitvoering worden geïncorporeerd. Met een stuk stad zoals iedereen zich zou wensen als resultaat.

Kompier 3

Afbeelding 3 Zuidplein
Bron: Gemeente Amsterdam, Zuidas
Foto: Bas uterwijk

 

Bronvermelding

Casas Valle, D., & Kompier, V. (2013). Sport op de Zuidas: Kansen voor sport en stad. Amsterdam: Stad-Forum.

Gemeente Amsterdam & ARUP. (2009). Visie Zuidas. Amsterdam: Zuidas Amsterdam.

Gemeente Amsterdam & ARUP. (2011). Zuidas integrated placemaking strategy. Amsterdam: Dienst Zuidas.

Hajer, M., & Reijdnorp, A. (2001). Op zoek naar nieuw publiek domein: Analyse en strategie. Rotterdam: NAi Uitgevers.

Project for Public Spaces. (2008). Succesvolle openbare ruimtes: Praktijkvoorbeelden en principes. Utrecht: CROW.

Project for Public Spaces. (sd). What is Placemaking? Opgehaald van http://www.pps.org/reference/what_ is_placemaking/

Stichting ARCAM. (1988). Boomtown Amsterdam: Ontwerpen om de stad. Amsterdam: Stichting ARCAM.

Mail de redactie