Introductie Thema: Herontwikkeling van voormalige industrielocaties

Editie: 24.2 - Herontwikkeling van voormalige industrielocaties

Gepubliceerd op: 22 maart 2017

Iedereen kent ze wel: de opgeknapte industriegebieden waar het ineens krioelt van de creatievelingen en eettentjes; waar jongens met lange baarden en meisjes met grote brillen liters koffie drinken of vegaburgers eten. De ontwikkeling van buiten gebruik geraakte industriegebieden en ander maatschappelijk vastgoed is iets van de laatste jaren. Aan het begin van deze trend in de jaren ‘90 bleek dat de leegstaande fabrieken een bijzondere aantrekkingskracht hadden voor de creatieve sector, waardoor de herontwikkeling van dit soort locaties landelijk in populariteit ging stijgen. Tegenwoordig spelen de grote gebouwen ook een belangrijke rol bij het opvangen van de woningvraag in de grote steden en worden de gebieden voor steeds meer uiteenlopende functies ingezet.


Iedereen kent ze wel: de opgeknapte industriegebieden waar het ineens krioelt van de creatievelingen en eettentjes; waar jongens met lange baarden en meisjes met grote brillen liters koffie drinken of vegaburgers eten. De ontwikkeling van buiten gebruik geraakte industriegebieden en ander maatschappelijk vastgoed is iets van de laatste jaren. Aan het begin van deze trend in de jaren ‘90 bleek dat de leegstaande fabrieken een bijzondere aantrekkingskracht hadden voor de creatieve sector, waardoor de herontwikkeling van dit soort locaties landelijk in populariteit ging stijgen. Tegenwoordig spelen de grote gebouwen ook een belangrijke rol bij het opvangen van de woningvraag in de grote steden en worden de gebieden voor steeds meer uiteenlopende functies ingezet.

In de negentiende eeuw werd Nederland geïndustrialiseerd, wat leidde tot de bouw van veel fabrieken. Voornamelijk in de jaren ‘70 van de twintigste eeuw verdween veel van de industrie weer uit Nederland door verplaatsing naar landen met lagere lonen. Tegenwoordig is er weinig van de oorspronkelijke industrie meer over in Nederland, behalve in enkele nichemarkten.

Ook ander maatschappelijk vastgoed heeft door de tijd heen zijn functie verloren, zoals gemalen, slachthuizen, kazernes en loodsen. Zij voldeden niet meer aan de hedendaagse vraag, waardoor ook zij verhuisden uit Nederland of waardoor er volledig nieuwe gebouwen gebouwd moesten worden voor modernere technologieën.

Dit heeft geleid tot leegstaande locaties die een nieuwe bestemming kunnen en soms moeten krijgen. In de jaren 90 kwam er meer aandacht voor binnenstedelijke ontwikkeling, dankzij de VINEX (1991); Dit vanwege de dreigende leegloop van de (middel)grote steden en stadscentra. Hierdoor werd verlaten industrieel erfgoed interessant ontwikkelingsgebied. Om meer aandacht te genereren voor herbestemming en hergebruik van dit industriële erfgoed werd in 1992 het Projectbureau Industrieel Erfgoed (PIE) opgericht (FIEN, 2015). Het bureau bracht in kaart wat voor onroerend goed er over was gebleven van de industrialisatie en zocht naar mogelijkheden voor herbestemming en kansen in educatie en cultuurtoerisme. In 1997 werd het PIE project met succes afgesloten en overgedragen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft vanaf toen de taak van het herbestemmen van industrieel erfgoed op zich gekregen.

De economische crisis heeft ervoor gezorgd dat er de laatste jaren minder transformaties plaats hebben gevonden van oud industrieel en maatschappelijk erfgoed, omdat projectontwikkelaars zich genoodzaakt zagen de hand op de knip te houden (Bekkers, 2015). Aan de andere kant zijn er dankzij de crisis oude gebouwen blijven staan die anders gesloopt zouden zijn. Inmiddels trekt deze vorm van herontwikkeling weer aan, vooral in steden waar de bevolking nog steeds groeit en (woon)ruimte schaars is.

De overheid onderkent dat er veel kansen liggen in een goede omgang met industrieel erfgoed. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) (2011) stelt dat het karakter van Nederland hierdoor zichtbaar gehouden kan worden, binnen de voortdurend veranderende gebouwde omgeving. Zij legt hierbij vooral de focus op het behouden en het versterken van het cultuurhistorisch karakter op gebiedsniveau. De grootste verantwoordelijkheid voor de herontwikkeling van industriegebieden ligt dan ook bij de gemeenten. Zij zien vooral de negatieve kanten van leegstaande industriële gebouwen als doorslaggevende factor om over te gaan tot herontwikkeling. Zo is het onderhoud van industrieel erfgoed zeer kostbaar en zorgt het verlaten karakter van de gebieden soms voor een onveilige sfeer. Met het herbestemmen kunnen deze problemen opgelost worden en ontstaan er zelfs kansen om de stad landelijk op de kaart te zetten met een uniek gebied.

Artikelen
In dit magazine komen een aantal artikelen aan bod die betrekking hebben op het thema. Allereerst een interview met Jos Roijmans, programmamanager Spoorzone bij de gemeente Eindhoven. Hierin wordt besproken wat de rol van de gemeente is bij de ontwikkeling van de gebieden binnen de spoorzone, zoals Strijp-S, Strijp-T en de TU/e campus. Verder wordt de toekomstbestendigheid van plannen voor voormalige industrielocaties besproken, waarbij de relatie tussen Eindhoven en Philips als voorbeeld wordt behandeld.

Marcel Groeneweg zal daarna in zijn artikel toelichten wat de kansen en bedreigingen zijn bij de ontwikkeling van voormalige industrielocaties. Zo kan het aanwezige industriële erfgoed een kans zijn om een gebied weer op de kaart te zetten. De tijd vormt echter een bedreiging, omdat het grote en complexe opgaven zijn met een doorlooptijd van vaak ongeveer 10 jaar. Verder laat hij ook zien wat de uitdagingen zijn bij zulke ontwikkelingen en wat het ontwikkelen van industrielocaties verschillend maakt in vergelijking met andere locaties.

Het artikel van Mark van Duijn gaat in op onderzoek dat gedaan is naar de herontwikkeling van industrieel erfgoed en de externe effecten op de woningprijs van omliggende woningen in Nederland. Het blijkt dat negatieve effecten op woningprijzen al voor de start van de herontwikkeling verdwijnen: woningbezitters anticiperen al op het verdwijnen van de huidige negatieve effecten voordat het project is afgerond. Positieve externe effecten op woningprijzen worden echter wel alleen pas na de herontwikkeling waargenomen en dan enkel in de grote steden in Nederland.

Hierna volgt een casestudy van de herontwikkeling van de Westergasfabriek door Evert Verhagen. De geschiedenis van het terrein en de gebouwen wordt uitgebreid verteld, bijvoorbeeld over hoe de gasfabricage de grond sterk verontreinigde en hoe dit door het aanleggen van een ‘daktuin’ werd opgelost bij de herontwikkeling. Verhagen beschrijft de samenwerking met verschillende partijen bij het ontwikkelen van het park en de gebouwen, waardoor het plan het succes is geworden dat wij vandaag de dag kennen.

Het laatste artikel binnen het thema is geschreven door Robin Evens. In zijn artikel ligt hij toe hoe de transformatieregeling die twee jaar geleden in werking trad, invloed heeft op herontwikkelingsprojecten. Deze regeling had als doel om het transformeren van leegstaande gebouwen naar een andere functie dan omgeschreven in het bestemmingsplan, te vergemakkelijken. Door de vage en brede beschrijving van deze wet blijkt in de praktijk echter dat deze wet niet in alle gevallen een positieve ontwikkeling is geweest.

 

Bronvermelding
Bekkers, H. (2015). Herbestemming fabrieken neemt vlucht door crisis, Verkregen van http://www.nrp.nl/nieuws/herbestemming-fabrieken-neemt-vlucht-door-crisis/

FIEN (2015). Branche-onderzoeken Projectbureau Industrieel Erfgoed (PIE). Verkregen van http://www.industrieel-erfgoed.nl/pie-rapporten.html

Ministerie OCW (2011). Kiezen voor Karakter: visie erfgoed en ruimte. Verkregen van https://cultureelerfgoed.nl/publicaties/kiezen-voor-karakter

Mail de redactie