Circulair perspectief op een lineaire sector; hoe versnellen we de ontwikkeling van circulaire businessmodellen in bouw & vastgoed?

Editie: 26

Gepubliceerd op: 18 maart 2019

Circulair meubilair, circulair tapijt, circulaire apparatuur, circulaire ondernemingen, financiers van circulariteit, enzovoort. Sinds de publicatie van het rapport van de Ellen MacArthur Foundation in 20131 zijn initiatieven rond de circulaire economie als paddenstoelen uit de grond geschoten. Ook binnen bouw en vastgoed wordt er tegenwoordig over circulariteit gesproken en er wordt voorzichtig mee geëxperimenteerd2,3.

De circulaire economie is een economisch systeem dat door cyclisch gebruik van grondstoffen en producten poogt geen afval meer te produceren. Dat er binnen bouw en vastgoed potentie is voor circulaire modellen lijkt evident wanneer naar het grondstofgebruik binnen de sector wordt gekeken. De bouw als geheel produceert jaarlijks ongeveer 40 procent van de totale hoeveelheid afval en verbruikt 40-50 procent  van het totale aantal grondstoffen4. Het streven van de overheid is om in 2050 volledig circulair te zijn, waarbij de bouwsector dat in 2030 al voor 50 procent moet zijn5. Hoog tijd dus voor een tussentijdse evaluatie van de stand van de circulaire economie binnen bouw en vastgoed.


De circulaire economie in het kort

Nieuw is de circulaire gedachte niet, in essentie lijkt het op het cradle-to-cradle concept6. Wat de circulaire economie echter toevoegt is de koppeling tussen duurzaamheid en economie. Omdat de circulaire economie uitgaat van stijgende grondstofprijzen is duurzaam handelen in het eigen belang van producent en fabrikant en levert het bij volledige implementatie duurzaamheid aan de samenleving als geheel tegen competitieve voorwaarden. Volledige duurzaamheid kan overigens alleen bereikt worden wanneer enkel gebruik wordt gemaakt van duurzame energie en wanneer alle betrokken partijen duurzaam handelen (bijvoorbeeld: geen gebruik maken van giftige materialen)7.

In economische zin internaliseert een producent in de circulaire economie bepaalde externaliteiten die zijn gedrag met betrekking tot grondstofgebruik veranderen. Bijvoorbeeld: een lampenfabrikant biedt in plaats van lampen de dienst ‘verlichting’ voor een bepaalde periode aan zijn klanten aan. Wanneer de contractperiode afloopt zal het aangeboden materiaal dat nodig was om de dienst verlichting aan de klant aan te bieden weer retour gaan richting de fabrikant (ook wel een product-dienstsysteem genoemd). Op dat moment is de fabrikant er in de circulaire economie alles aan gelegen om dit materiaal weer opnieuw in te zetten om nogmaals de dienst verlichting aan een andere klant aan te kunnen bieden. Op deze manier worden er niet opnieuw producten geproduceerd om in een bepaalde verlichtingsbehoefte te voorzien. Dit bespaart producenten in de circulaire economie direct kosten vanwege de aanname van stijgende grondstoffenprijzen. De ingrijpend andere productiecyclus die dit tot gevolg heeft is een van de verklaringen voor de interesse in circulaire businessmodellen.

Huidige stand

Ook in bouw en vastgoed zijn de afgelopen jaren circulaire initiatieven ontwikkeld met daaraan gekoppelde businessmodellen. Wat daarbij opvalt is dat deze initiatieven zich binnen de sector veelal beperken tot het meubilair. Bijvoorbeeld meubelfabrikanten die hun ontwerpen dusdanig aanpassen dat deze over verschillende perioden bij (meerdere) klanten ingezet kunnen worden8,9. In deze gevallen is vaak geen sprake van verdienstelijking zoals hierboven omschreven, maar van een andersoortige regeling die hergebruik moet garanderen (bijvoorbeeld: een statiegeldregeling). Wel is hier sprake van circulaire businessmodellen in de zin dat de duurzame logica (internaliseren van externaliteiten) van de circulaire economie onderdeel uitmaakt van het businessmodel van dergelijke partijen.

Anders wordt het wanneer gekeken wordt naar de meer structurele onderdelen van vastgoed, zoals de draagconstructie of gevel. Er zijn voorbeelden bekend van min of meer circulaire gebouwen2,3, maar de garantie van hergebruik op de structurele onderdelen is echter beperkt. Voor bepaalde onderdelen van deze gebouwen bestaat namelijk wel een terugnameplicht voor de fabrikant, maar het is nog onbekend wat er op dat moment gebeurd. Circulariteit is namelijk in geen van de primaire businessmodellen van de betrokken partijen voor de structurele onderdelen verankerd. Het gebruikte materiaal als input kan dus wel hergebruikt zijn, het is slechts één onderdeel van de cirkel. Het tweede gedeelte bestaat uit de terugname en het herinzetten van materialen. In welke richtingen zouden bedrijven in bouw en vastgoed moeten denken om ook voor de structurele onderdelen van een gebouw tot schaalbare circulariteit te komen?

  1. Denk in producten in plaats van materialen en grondstoffen

Hoewel het minimale gebruik van ‘virgin materials’ één van de resultaten van een goed functionerende circulaire economie is, zouden bedrijven in bouw en vastgoed er goed aan doen om (zeker op korte termijn) niet primair op grondstoffen te focussen. In plaats daarvan zou het nuttiger zijn om aan de bundeling van grondstoffen te denken die uiteindelijk het product vormt. Ingezette grondstoffen komen namelijk hoofdzakelijk als product weer retour bij de fabrikant of leverancier, en niet als grondstoffen. Bedenk daarom hoe het product zo ontworpen kan worden dat het meerdere cycli mee kan zonder al te intensief onderhoud. Tevens lenen producten zich beter voor performance management dan grondstoffen10. Zo zou de duurzaamheid van het product, zowel op het vlak van levensduur als materiaalkeuzes, over tijd geoptimaliseerd kunnen worden. Een fabrikant hoeft zo, in ieder geval in eerste instantie, niet direct een grondstoffenspeculant te worden.

  1. Denk niet aan pure verdienstelijking

Tevens zouden bedrijven in bouw en vastgoed zich niet blind moeten staren op het opzetten van product-servicediensten waarbij een fabrikant of leverancier eigenaar blijft van structurele onderdelen van het gebouw. Hoewel deze variant vanuit de circulair economische theorie het zuiverst is, wordt deze binnen bouw en vastgoed gekenmerkt door enkele sectorspecifieke problemen. Ten eerste zijn materialen en producten in de sector vaak kapitaalintensief. Een fabrikant wordt daardoor bij het behouden van eigenaarschap al snel geconfronteerd met aanzienlijke financieringskosten, die het langdurig opereren met dit businessmodel bemoeilijken11. Daarnaast is het met de huidige wetgeving niet mogelijk om het eigenaarschap van structurele onderdelen van vastgoed op te knippen over verschillende eigenaren, wat deze businessmodellen binnen bouw en vastgoed onwaarschijnlijk maakt7. Ten derde kan de vraag gesteld worden wie in de bouwketen het eigenaarschap bij een dergelijke vorm zou moeten behouden. Er wordt al snel naar de aannemer of een special-purpose-vehicle gekeken. Maar in de praktijk zal de eerste te weinig afweten van alle systemen die in een gebouw worden toegepast om hier adequaat onderhoud en eventuele andere optimalisaties door middel van diensten aan te kunnen bieden6, en is het maar de vraag of de tweede zich aan de hierboven geschetste problemen kan onttrekken11. Het niet volledig behouden van eigenaarschap, maar het verkopen van producten met een bepaalde terugkoopregeling eventueel gecombineerd met optimalisatiediensten (zoals onderhoud) lijken daarom haalbaarder binnen de bouw en vastgoedsector.

  1. Denk aan een kortere levensduur van het gebouw als een geheel

Ten slotte zou er nagedacht moeten worden over het ontmantelingstijdstip van een gebouw. In de huidige markt wordt een gebouw neergezet zonder einddatum in het hoofd. In de praktijk betekent dit dat de gemiddelde levensduur van een woning bijvoorbeeld zo rond de 120 jaar schommelt12. Bij een circulair gebouw is het echter van belang dat er juist aan deze einddatum wordt gedacht, een circulair gebouw is immers opgebouwd uit circulaire componenten die weer op een bepaald moment heringezet moeten worden13. Met de huidige levensduur ontbreekt de prikkel voor fabrikant en leverancier om producten te ontwikkelen die op een bepaald moment ontmanteld kunnen worden. Wie zegt bijvoorbeeld dat de fabrikant over 120 jaar nog bestaat (de gemiddelde levensduur van een bedrijf ligt rond de achttien jaar14). Door de levensduur van het gebouw als geheel korter te maken zal de fabrikant of leverancier daadwerkelijk geconfronteerd worden met het terugnemen van producten en is het in zijn eigen voordeel om over dit moment na te denken bij het ontwerp van het product.

Concluderend

Deze drie aanbevelingen raken slechts zijdelings aan enkele andere belangrijke aspecten bij het ontwikkelen van circulaire businessmodellen. Zo zullen marktpartijen bijvoorbeeld bij het opzetten van hun businessmodel op enig moment geconfronteerd worden met het feit dat voor het circulair maken daarvan, kennis benodigd is die niet binnen de huidige organisatie besloten ligt6. Ook zal de (her)inzet van producten kunnen worden vergemakkelijkt door andere partijen aan te laten haken op het businessmodel15. Op dit vlak zullen dan ook enige afwegingen gemaakt moeten worden. Het koppelen van het businessmodel aan te veel andere partijen zou namelijk de levensduur van het businessmodel zelf negatief kunnen beïnvloeden doordat dit tot op zekere hoogte te statisch wordt6. Ook het denken in producten is op dit moment in de bouw nog nauwelijks aanwezig6.

De drie aanbevelingen die gedaan worden in dit artikel; denk in producten, denk niet aan pure verdienstelijking, denk aan een kortere levensduur van het gebouw als geheel, gaan in zekere mate in tegen de tendens die op dit moment gaande is in de circulaire economie. Omdat de kern van een functionerende circulaire economie echter besloten ligt in businessmodellen, moet partijen in de markt de kans geboden worden om deze te ontwikkelen. Om die redenen zou het binnen de bouw en vastgoedsector juist voordeel bieden om op een pragmatische wijze om te gaan met de veel gebruikte oplossingsrichtingen binnen de circulaire economie, zonder daarbij de kern van de circulaire boodschap te verlaten. De weg naar een volledig circulair 2050 is nog lang, maar zeker niet onhaalbaar. Hopelijk biedt dit artikel perspectief en energie om de ontwikkeling daar naartoe te versnellen.

Bronnen

  1. Ellen MacArthur Foundation (2013), Towards the Circular Economy. Opgehaald van https://www.ellenmacarthurfoundation.org/assets/downloads/publications/Ellen-MacArthur-Foundation-Towards-the-Circular-Economy-vol.1.pdf op 15-05-2018.Bouwtotaal (2017). Tijdelijke rechtbank Amsterdam demontabel én circulair. Opgehaald van: http://www.bouwtotaal.nl/2017/09/tijdelijke-rechtbank-amsterdam-demontabel-en-circulair/ op 17-01-2019.
  2. ABN Amro (2017). The circular pavilion renamed Circl. Opgehaald van: https://www.abnamro.com/en/newsroom/newsarticles/2017/the-circular-pavilion-renamed-circl.html op 17-01-2019.
  3. Antink, R., Carrigan, C., Bonneti, M., & Westaway, R. (2014). Greening the building supply chain. Nairobi: United Nations Environmental Programme.
  4. Ministeries van Infrastructuur en Milieu en Economische Zaken (2016). Nederland Circulair in 2050. Den Haag: Ministeries van Infrastructuur en Milieu en Economische Zaken.
  5. Van den Brink, R. (2016). At your service! Circular business model prototypes for a service provider in the construction industry. Delft: Technische Universiteit Delft.
  6. Ploeger, H.D., Prins, M., Straub, A., & Van den Brink, R. (2019). Circular economy and real estate: the legal (im)possibilities of operational lease. Facilities (in press).
  7. Logge (2019). Circulaire businessmodellen. Opgehaald van: https://logge.nl/circulair/circulaire-businessmodellen/ op 17-01-2019.
  8. BMA Ergonomics (2019). Axia Circulaire Producten. Opgehaald van: https://www.bma-ergonomics.com/producten/axia-2-0-circulaire-producten/ op 17-01-2019.
  9. Baines, T., & Lightfoot, H. (2013). Made to serve: how manufacturers can compete through servitization and product-service systems. Chichester: John Wiley and Sons.
  10. Van den Brink, R., Prins, M., Straub, A., & Ploeger, H.D. (2017). Finding the right incentives; circular business models for the construction industry. In: Ruddock, L., Van-Dijk, H., & Houghton, C.A.M., (eds.) (2017). International Research Conference 2017: Shaping Tomorrow’s Built Environment – conference proceedings. Salford: University of Salford.
  11. Van Nunen, H. (2011). Levensduur verlengen of verkorten? Opgehaald van: http://www.bestaandewoningbouw.nl/levensduur-verlengen-of-verkorten/#bron op 17-01-2019.
  12. Prins, M. (2017). Circulaire Economie; kansen en barrières voor het hergebruik van gebouwcomponenten. In: Neele, H., Weelink, J.H., Van der Welle R. (eds). Online publicatie Collectie Overheid – Omgevingswet, Module Afval. Wolters Kluwer, Deventer. FC. pp. 1-10.
  13. Financieele dagblad (2014). Hoe lang moet een bedrijf leven. Opgehaald van: https://fd.nl/morgen/1142937/hoe-lang-moet-een-bedrijf-leven op 19-01-2019
  14. Jonker, J., Kothman, I., Faber, N., & Montenegro Navarro, N. (eds.) (2018). Circulair organiseren. Nijmegen: Radboud Universiteit.
Mail de redactie