Sustainability – Verplicht label C of A in de utiliteitsbouw –besparingsmogelijk- heden onderzocht

Editie: 25.3 The Big Five

Gepubliceerd op: 06 juni 2018

Energiebesparing in de gebouwde omgeving krijgt de laatste jaren steeds meer aandacht. Dat is niet voor niets: één derde van het bruto finaal verbruik in Nederland – ca. 2.050 petajoule1 in 2015 – zit namelijk in de gebouwde omgeving (Schoots et al., 2017). Dat betekent dat deze sector een belangrijke bijdrage moet leveren aan het behalen van de lange termijn energie en klimaat doelstellingen. In het Energieakkoord uit 2013 is de doelstelling geformuleerd om in alle sectoren gezamenlijk 100 petajoule extra besparing te realiseren in het finaal verbruik (SER, 2013). Volgens de raming in de Nationale Energieverkenning 2017 komen we waarschijnlijk uit op 75 petajoule besparing in 2020. Daarmee wordt het doel zeer waarschijnlijk niet gehaald. Zowel woningen als utiliteitsgebouwen kunnen een bijdrage leveren om het resterende gat te dichten.


Labelverplichting
Een van de beleidsinstrumenten om het energiebesparingstempo te verhogen is een labelverplichting. Beleidsmakers richten zich momenteel op de mogelijkheden van een label C verplichting voor 2023, maar een verplichting voor label A in 2030 wordt ook besproken. In 2016 heeft het Economisch instituut voor de Bouw (EIB) samen met Energieonderzoekscentrum Nederland (ECN) onderzoek uitgevoerd naar een label C- verplichting voor kantoren (Arnoldussen et al., 2016). Daar kwam uit dat een additionele besparing van 8,6 petajoule mogelijk is wanneer alle kantoren worden verbeterd naar label C. De additionele investeringskosten van de maatregelen bedragen ongeveer 860 miljoen. Inmiddels wordt zo’n labelverplichting voor kantoren voorbereid. Dit heeft geleid tot de vraag of een label C -verplichting voor andere gebouwen ook een effectief beleidsinstrument is.

In de Kamerbrief van 28 november 2016 over energiebesparing schrijft minister Blok (BZK, 2016):

“In de Borgingscommissie is besloten dat er naast de label C-verplichting voor kantoren een verkennend onderzoek uitgevoerd zal worden naar de besparingsmogelijkheden, draagvlak, investeringskosten, opbrengsten en terugverdientijden in de overige utiliteitsbouw.”

ECN heeft onderzoek gedaan om hierop een antwoord op te geven. Het rapport ‘Verkenning Utiliteitsbouw’ beschrijft de berekeningen die ECN heeft gemaakt. Het draagvlak voor aanvullend beleid is door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en RVO.nl onderzocht in gesprekken met brancheorganisaties, maar wordt in het rapport niet besproken.

Utiliteitsbouw

Om wie gaat het?
Onder utiliteitsbouw vallen alle gebouwen die geen woning zijn. In Figuur 2 is het totale gebruiksoppervlak in de utiliteitsbouw in 2015, circa 600 miljoen vierkante meter, onderverdeeld naar gebruiksfuncties. Dit is inclusief leegstand. De voorraadgegevens zijn afkomstig van EIB. De onderverdeling betreft de 10 hoofdgebruiksfuncties zoals deze in de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) en EPA-labelmethodiek worden onderscheiden. Binnen de utiliteitsbouw wordt de grootste groep gebouwen gevormd door bedrijfshallen; dit zijn alle gebouwen met een industriefunctie in de BAG, waaronder diverse gebouwtypen vallen. Kantoren, winkels, gezondheidszorg, onderwijs en horeca vormen ook relatief belangrijke sectoren. Dit figuur geeft al direct een indruk van de verhoudingen in omvang van sectoren, maar zegt nog vrij weinig over het besparingspotentieel. De inschatting van het besparingspotentieel is gemaakt in twee afzonderlijke onderzoeksfasen die hieronder worden besproken.

Fase 1: Prioritering van sectoren

In fase 1 is geïnventariseerd in welke sectoren uit de dienstensector het meest te halen valt wat betreft energiebesparing.

Het besparingspotentieel wordt bepaald door:
1. De omvang van de gebouwvoorraad per gebouwtype
(Figuur 2)
2. De energielabelverdeling per gebouwtype2 (Figuur 3)
3. Het werkelijk energieverbruik van het gebouwtype per vierkante meter, de energie-intensiteit (zie rapport ‘Verkenning Utiliteitsbouw’)
4. De besparing die autonoom al plaatsvindt en als gevolg van huidig beleid.
Door de gemiddelde energie-intensiteit te vermenigvuldigen met het vloeroppervlak en rekening te houden met leegstand is een inschatting gemaakt van het finaal energieverbruik (Figuur 4).

De verplichting raakt alle gebouwen slechter dan label C. In figuur 3 valt te zien dat een aanzienlijk aandeel van de gebouwvoorraad maatregelen zou moeten nemen.

Uit de analyses blijkt dat het meeste besparingspotentieel, afgezien van kantoren, waarschijnlijk zit in de volgende sectoren:
1. Bedrijfshallen
2. Horeca
3. Zorg
4. Onderwijs
5. Winkels
De resultaten van fase 1 laten zien dat de grootste “besparing bij labelverbetering” te behalen valt in respectievelijk de horeca, zorg, onderwijs en winkels.
Bedrijfshallen kennen het hoogste finaal energieverbruik van gebouwen binnen de dienstensector, maar deze hebben momenteel geen labelmethodiek en zijn niet label plichtig. Bij bedrijfshallen is ook besparingspotentieel aanwezig, omdat een deel van de gebouwen wel geklimatiseerd wordt. Het energieverbruik van bedrijfshallen is beperkt in kaart gebracht. Meer onderzoek is nodig om het energieverbruik van bedrijfshallen, opgedeeld naar energiefuncties (o.a. verlichting, verwarming), beter in kaart te brengen. Aanvullend beleid voor bedrijfshallen zou ook kunnen bestaan uit energieprestatie-eisen voor nieuwe bedrijfshallen en het meenemen van bedrijfshallen in de labelmethodiek.

Fase 2: Labelberekeningen

In fase 2 zijn vier gebouwtypen uit de sectoren met het grootste besparingspotentieel onder de loep genomen. Dit zijn basisscholen, verpleeghuizen, horeca en winkels. Aan de hand van labelberekeningen is voor een referentiegebouw het maatregelpakket bepaald om tot label C (of tot label A) te verbeteren. Het gaat om (gebouw gebonden) maatregelen als dak, gevel en glasisolatie, HR107-ketels en energiezuinige HF of LED verlichting en verlichtingsregelingen. Uit de labelberekening volgt de energiebesparing en met kostenkengetallen per maatregel zijn de investeringskosten bepaald en vervolgens is de terugverdientijd berekend. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat het energieverbruik volgens een energielabel gemiddeld hoger is dan het werkelijke verbruik (Sipma, 2017 & Sipma, Kremer & Vroom, 2017). In dit onderzoek wordt voor dit verschil gecorrigeerd om de energiebesparing niet te overschatten. Door het maatregelpakket te vergelijken met de verwachte realisatie van maatregelen in de Nationale Energieverkenning 2017, zowel autonoom als door handhaving van de Wet milieubeheer, is ingeschat welk deel van de besparing en de investeringen additioneel zijn ten opzichte van bestaand beleid.

De gebouwvoorraad van de onderzochte gebouwtypen is divers en het rekenen met slechts één referentiepand is te eenvoudig, maar dit is gedaan uit praktische overwegingen om een indicatie te krijgen van de mogelijke energiebesparing.

Overlap met de Wet milieubeheer
Bij de sectoren die hier worden genoemd, is er overlap tussen de label C verplichting met de energiebesparingseisen uit de Wet milieubeheer. Voor de gebouwen die onder De Wet milieubeheer vallen geldt dat eigenaren verplicht zijn om energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of korter te nemen. Om informatie te verschaffen over welke maatregelen in aanmerking zouden kunnen komen zijn erkende maatregelenlijsten opgesteld per branche. Hier zitten ook maatregelen tussen die het label verbeteren. De vraag was dus in hoeverre de beleidsinstrumenten labelverplichting en de Wet milieubeheer overlappen. Ten eerste is gebleken dat om label C of label A te bereiken ook maatregelen nodig zijn die een kortere terugverdientijd dan 5 jaar hebben. Dit is dus gedeeltelijke overlap. Ten tweede is gebleken dat de handhaving van de Wet milieubeheer nog langzaam op gang komt. Een labelverplichting is een stok achter de deur voor structurele energiebesparing bij ‘oudere’ gebouwen. Om een labelverplichting te kunnen handhaven is het eerst nodig om labels te bepalen. Ten derde vallen alleen gebouwen met een verbruik hoger dan 25.000 kubieke meter gas per jaar of 50.000 kWh elektriciteit per jaar onder de Wet milieubeheer.

Ook buiten de Wet milieubeheer om worden op onderhoudsmomenten de nodige maatregelen genomen. We zijn geïnteresseerd in de additioneel besparing die een label C verplichting op zou leveren.

Resultaten per gebouwtype verbetering naar label C
De resultaten per gebouwtype zijn weergegeven in Tabel 1. De tweede kolom toont het additionele besparingspotentieel per gebouwtype en de derde kolom de bijbehorende investeringskosten. De vierde kolom geeft de spreiding aan in terugverdientijden van de maatregelpakketten.

De langste terugverdientijden worden gevonden bij label F gebouwen. Kortere terugverdientijden worden gevonden bij label D, E en G gebouwen. In label D en vaak ook in label E gebouwen zijn relatief weinig maatregelen nodig. In label G gebouwen valt met de maatregelen veel te besparen. In F label gebouwen moeten bijna dezelfde maatregelen worden genomen als in een label G gebouw, maar zijn de maatregelen minder kosteneffectief.

Verbetering naar label A
De vraag is hoeveel meer energiebesparing een verbetering naar label A oplevert dan een label C verplichting. Ook voor verbetering naar label A zijn berekeningen gemaakt. Er is meer glasisolatie, zonnepanelen (zon-PV) en warmteterugwinning uit ventilatielucht aan de maatregelpakketten toegevoegd. De resultaten zijn samengevat in Tabel 2.

Bij een verplichte verbetering naar A label in 2023 is de additionele besparing in petajoules hoger dan bij verbetering naar label C. De additionele investeringen voor een verplicht label A zijn enkele honderden miljoenen euro’s hoger dan bij een verplicht label C. De terugverdientijden zijn bijna gelijk of soms zelfs korter dan bij verbetering naar C label. Alleen bij basisscholen worden de terugverdientijden langer, maar alleen voor F en E labels.

Conclusies
Een verplicht label C in 2023 levert bij de vier onderzochte utiliteitsgebouwen een additioneel besparingspotentieel op van 8,23 petajoule in het finaal energiegebruik. Verbetering naar label A zal 12,5 petajoule additionele besparing opleveren. Opgeteld leveren al de individuele bijdragen per gebouwtype een belangrijke bijdrage aan de doelstellingen voor energiebesparing.

Om de lange termijn klimaatdoelstellingen van de overheid te behalen is meer energiebesparing nodig dan met een C-label wordt bereikt, maar ook hogere investeringen. De verwachte energiebesparing bij een label A verplichting in 2023 zou hoger zijn dan bij label C, maar de benodigde investering ook; enkele honderden miljoenen euro’s meer. Uit de resultaten blijkt dat de terugverdientijden van een verplicht label A weinig langer zijn dan bij een label C en soms zelfs korter. Dit is belangrijke constatering waarmee rekening gehouden moet worden in de uiteindelijke beleidsbeslissing, maar ook in gebouwonderhoudsplannen en renovatieprojecten. Op vervangingsmomenten renoveren is stukken voordeliger. Een labelverplichting haalt het nemen van de maatregelen naar voren in de tijd. Het is dus een stok achter de deur. Dat is met het oog op de lange termijn doelstelling voor een klimaat neutrale gebouwde omgeving in 2050 een begrijpelijke zet.

Utiliteitsgebouwen zijn zeer divers. Dat brengt een aantal onzekerheden met zich mee die in het rapport worden aangekaart. Om een beter overzicht te krijgen van de energieprestatie te krijgen van utiliteitsgebouwen zullen meer labels geregistreerd moeten worden. Dat is vooral nodig voor G-labels omdat daar het hoogste besparingspotentieel zit. Een laatste aandachtspunt is dat maar een deel van het besparingspotentieel in het finale energiegebruik behaald wordt door verbetering van het label: het inregelen van verwarming, koeling en het ventilatiesysteem is hier niet in opgenomen. Met energiezuinig gedrag valt nog veel winst te behalen, dat kan met behulp van energiemanagementsystemen waarmee nog zo’n 20 tot 30 petajoule extra besparing (Menkveld, 2016) gerealiseerd zou kunnen worden in de hele utiliteitsbouw.

Bronvermelding
J. Arnoldussen, R. van Zwet, M. Koning en M. Menkveld (2016). Verplicht Energielabel voor kantoren. Amsterdam: Economisch Instituut voor de Bouw & Energieonderzoek Centrum Nederland.

BZK. (2016). Kamerbrief Energiebesparing gebouwde omgeving.

K. Schoots, M. Hekkenberg en P. Hammingh (2017). Nationale Energieverkenning 2017. ECN-O–17-018. Petten: Energieonderzoek Centrum Nederland.

M. Menkveld. (2016). Energiemanagementsystemen in de utiliteitsbouw. Amsterdam: Energieonderzoek Centrum Nederland.

R. Niessink, M. Menkveld en J. Sipma (2017). Verkenning Utiliteitsbouw. ECN-E—17-059. Amsterdam: Energieonderzoek Centrum Nederland.

SER (2013). Energieakkoord voor duurzame groei. Den Haag: Sociaal Economische Raad.

J. Sipma (2017). Energielabels en het daadwerkelijk energieverbruik van scholen en van tehuizen in de zorg. Amsterdam: Energieonderzoek Centrum Nederland.

J. Sipma, A. Kremer en J. Vroom (2017). Energielabels en het daadwerkelijk energieverbruik van kantoren. Amsterdam: Energieonderzoek Centrum Nederland.

Mail de redactie